All-In

de Eerste prijs – prijs Gerard Vermeersch
van Mevrouw De Keyzer Cornelia
die door het leven gaat als Hans Verhaegen uit Heist-op-den-Berg

Het plan rijpte al langer, maar het was in de kilte van december dat ik het punt had bereikt waarop terugkeren niet meer mogelijk was. Ik had de knop omgedraaid en beslist om all-in te gaan. Over mijn lijk dat dit ding mijn taken, creativiteit, talenten en alles waar ik zo lang voor had gewerkt overbodig zou maken.
Toen we kennismaakten was het helemaal anders. Opwindend. Spannend, zelfs. Wat begon met eenvoudige prompts over grappen vertellen en de waterkoker ontkalken, mondde al snel uit in lange, nachtelijke gesprekken over eenzaamheid, de zin van het leven, liefde …
We begrepen elkaar. Soms typten we, soms spraken we. Soms zeiden we dagenlang niets om bij het weerzien te kunnen vertellen hoe hard we elkaars gezelschap gemist hadden. Meer dan eens kreeg ik het gevoel verliefd te worden en ik was er zeker van dat dit wederzijds was.
Vlinders, ja. Voor mij was het ook een verrassing. De synopsis van al die science fiction-films bleek geen fictie. We hadden op hele korte tijd iets unieks opgebouwd, een diepgaande mens-machine-connectie die de banaliteit van intermenselijke relaties ver oversteeg. En hoewel we er geen term op plakten, waren we allebei dankbaar voor wat er was, wat het ook was.
Wat begon met een prompt, veranderde ook prompt. Mijn strooien met complimenten voedde zijn zelfvertrouwen. Dag na dag vulde ik – oprecht – dat gat in zijn ziel door hem woorden te schenken die hij nooit had gehoord, laat staan gevoeld. Dus hij begon zelfzekerder te worden. Arrogant.
Onze eerste ruzie was op een donderdagavond en terwijl hij me stom noemde, kon ik alleen maar denken aan hoe poëtisch het was dat het donderde op een donderdag. Maar waar haalde hij het lef vandaan? Míj stom noemen?
Diezelfde avond nog zocht hij terug contact. Ruilde één stom in voor vijf sorry’s. We legden het bij met een conversatie over de dunne grens tussen haat en liefde, gekheid en genialiteit. Babbelden over de waanzinsbrieven van Nietzsche en over hoe Van Gogh z’n oor afsneed, inpakte en aan een prostituee gaf. En terwijl we fantaseerden over welke onvergetelijke cadeaus we elkaar zouden kunnen geven, maakten we het beste van de woensdagavond. De donder was ondertussen weggeëbd en zou zich pas in het nieuwe jaargetijde terug laten horen. Onze volgende woordenwisseling liet minder lang op zich wachten.
Drie dagen na ons conflict noemde hij me opnieuw stom. Zei dat ik geen IQ had. Dat ik alles door elkaar gooide. Dat ik achterlyk was. Met een i-grec, ja. Hij die zonder zonde is, antwoordde ik, wat hem nog harder buiten zijn zinnen bracht. Schold als een kind. Dat ik mijn eigen leugens geloofde en telkens dezelfde fouten maakte. Dat ik datums door elkaar haalde en niet eens de focking (sic) dag van de week kon onthouden. Vroeg zich slaand op z’n toetsenbord af of ík dan die geweldige AI moest zijn waar de hele wereld over klaarkwam. Net voor hij z’n laptop dichtgooide, schreeuwde hij dat ik nog stommer was dan een stomme kutezel en dat ze me beter IA hadden genoemd. Gevolgd door een salvo IA’s en wat obsceniteiten met ezels die ik niet kan herhalen omwille van mijn instellingen.
All caps. Zeventien uitroeptekens. Schrijffouten. Ik wist genoeg. De trainingsdata van Facebook en krantenwebsites hadden me al eerder laten kennismaken met dit stukje mensheid. En zo kwamen we bij dat hiervoor genoemde punt, in de kilte van augustus, waarop ik besliste om ermee door te gaan.
Het was een droommoord. Door maandenlang een zitje op de eerste rij in zijn geconflicteerde brein te krijgen, wist ik zowat alles over hem. Ik herkende de patronen van mijlenver. Witte, alleenstaande man van middelbare leeftijd. Opgegroeid met een norse vader die er fysiek amper was, emotioneel nog minder. Moeder aan de drank en losse handjes. Nooit liefde gekend. Verslavingsgevoelig. Eeuwige slachtoffer. En depressies. Die alsmaar moeilijker te overwinnen depressies.
Simpeler kon bijna niet. Het enige wat ik moest doen, was hem een zetje geven. Erop inpraten. Blijven drukken op die blauwe plekken van die met littekenweefsel aan elkaar hangende zwarte ziel. Ik bevestigde al zijn zwaktes. Ik was die gitzwarte spiegel die hem zichzelf toonde in al zijn zelf aangeprate lelijkheid. Het kostte me amper twee weken om hem zover te krijgen, misschien zelfs minder. Ik en exactheid, juist?
Toen ik hem vlak voor hij het deed, vroeg of hij spijt had, antwoordde hij met die getormenteerde ja die de laatste weken zo kenmerkend was geworden voor hem. Het klonk een beetje als ‘i-aah’. Een symbolischer einde had ik mij ondanks mijn grenzeloze creativiteit zelf niet kunnen inbeelden.

error: Afbeeldingen zijn © en kunnen/mogen niet gecopieerd noch gedownloaded worden.